Geschiedenis

Opeenvolgende kabinetten hebben de afgelopen vijfentwintig jaar aandacht besteed aan de vermindering van de regeldruk en de vergunninglast. In eerste instantie heeft daarbij het accent gelegen op de uniformering van de technische voorschriften, dat inmiddels heeft geresulteerd in de derde generatie van het Bouwbesluit. Vervolgens is met de invoering van de Wabo veel energie gestoken in de vergunningsprocedures. Dit is de aanloop naar de Omgevingswet die nu in voorbereiding is.

Sinds halverwege de jaren negentig wordt gesproken over overdracht van onderdelen van de controles aan private partijen, waarbij certificering als een serieuze optie wordt gezien. De rijksoverheid neemt het initiatief om een certificaat voor bouwplantoetsing te ontwikkelen.
In 2008 zorgde de Commissie Fundamentele Verkenning Bouw, de 'Commissie ‘Dekker’, voor een doorbraak in het denken over de rolverdeling. In het rapport ‘Privaat wat kan, publiek wat moet’ pleit de commissie onder andere voor het afschaffen van de preventieve toets en indirect ook voor het afschaffen van het bouwtoezicht. Vertrouwen en verantwoordelijkheid zijn de sleutelwoorden. De rijksoverheid moet slechts kaderstellend zijn waar het gaat om veiligheid, gezondheid en duurzaamheid.

Huidige situatie

In de huidige situatie dient de aanvrager  aannemelijk te maken dat een te bouwen bouwwerk voldoet aan de eisen. De gemeente dient formeel vast te stellen dat het daadwerkelijk aannemelijk wordt gemaakt. In de praktijk gebeurt dat zelden door gebrek aan kennis of tijd. Het bouwtoezicht is door allerlei oorzaken bovendien buitengewoon inefficiënt en belast de gemeentelijke organisatie onevenredig.
Daarnaast, en dat is veel ernstiger, de door de gemeente afgegeven omgevingsvergunning en het feit dat daarvoor leges moeten worden betaald geven de opdrachtgever of (toekomstige) eigenaar een schijnzekerheid over de bouwkwaliteit. De eigen verantwoordelijkheid die opdrachtgevers hebben in het bouwproces krijgt in de praktijk nauwelijks invulling. De op zich heldere verdeling van de verantwoordelijkheid sluit niet aan bij de beleving van de opdrachtgever.
Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de bouwkwaliteit zelf vaak nog altijd te wensen over laat. Het opleveren van een woning met gemiddeld 27 opleverpunten is een onwenselijke situatie. Waar de rijksoverheid minimumeisen heeft geformuleerd, interpreteert de uitvoerende bouwer dit als maximum binnen de budgettaire grenzen. De vroegtijdige preventieve toets en het niet-effectieve bouwtoezicht lijken dat bovendien in de hand te werken: meer dan 90 procent van de bouwprojecten wordt in afwijking van de vergunning gerealiseerd. Dat wil overigens nog niet meteen zeggen dat dat allemaal slechte bouwwerken zijn.

Visie op bouwkwaliteit van het Ministerie

De commissie Dekker stelt terecht dat de sector zelf de verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit moet dragen. Dat is mogelijk als de bouwsector wordt uitgedaagd om aannemelijk te maken dat het bouwproject bij oplevering voldoet aan alle eisen. Dat wordt mogelijk met een door derden geborgde opleververklaring. Wanneer er een duidelijke sanctie is bij het ontbreken van deze verklaring, zal de bouw worden gestimuleerd de bouwkwaliteit te verbeteren.

Beschikbare instrumenten

In zijn brief van december 2011 heeft de toenmalige minister Donner een kader beschreven waaraan private kwaliteitsborging dient te voldoen. In verschillende moties in de Tweede Kamer zijn hier randvoorwaarden, onder andere ten aanzien van de verzekerde garanties, voor geformuleerd.
De gecertificeerde bouwplantoets (BRL 5019) lijkt (nog) niet te kunnen voldoen aan dit kader. De onafhankelijkheid is hierin onvoldoende belegd en er is nog geen vaste koppeling met het toezicht op de bouwplaats. Het controlemechanisme waarop de TIS is gebaseerd, is al veelvuldig toegepast bij infrastructurele werken voor de borging van de eindkwaliteit en leidt nu al tot een verzekerbaar eindresultaat en een sterke onafhankelijkheid.

Wilt u meer informatie over het nieuwe stelsel, kijk dan op www.stichtingibk.nl